U bent hier

1931 - 1939: Universitaire zweefvliegclubs gelinkt aan Leuven

Le Patriote Illustré (03.05.1931) p. 557
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (aankondiging in de Aalsterse krant "De Volksstem" op vrijdag 24.04.1931)
Het vliegveld van Haren / Evere begin van de jaren '30. Heden staat hier het hoofdkwartier van de NATO.
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere). Met de hoed in de hand: Robert Kronfeld
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Inhuldiging van de Sabca Junior van VOLCEP door Suzanne Lippens (25.04.1931, vliegveld Evere)
Le Patriote Illustré (03.05.1931)
Le Patriote Illustré (03.05.1931)
Le Patriote Illustré (03.05.1931)
Vliegbasis Zellik, waar de CUCVSM het eerste jaar vloog (in 1931)
Militair oefenterrein te Heverlee, waar de UULVV en ook de CUCVSM begin van de jaren '30 vlogen (stafkaart 1937)
Een Kassel 12 zoals gebruikt door de UULVV
Spreekbeurt van Suzanne Lippens in Hotel Métropole (25.01.1932 te Leuven)
Google Maps view van de Colanhan heuvelrug met daarop aangeduid de locatie van het zweefvliegterrein van Hébronval
Google Maps view van de Colanhan heuvelrug met daarop aangeduid de locatie van het zweefvliegterrein van Hébronval
Sandow start van een Kassel 12 in Hébronval
Postkaart van het zweefvliegterrein te Hébronval bij Vielsalm in de Ardennen
Zweefvliegkamp te Hébronval. Men startte op de top van de heuvel om in het dal te landen.
Zweefvliegkamp te Hébronval. Paarden werden gebruikt om de zwevers terug naar de top van de heuvel te slepen. Een mooie bijverdienste voor de boer!
Vliegen met de Prüfling op het strand van De Panne in 1936. Men sleepte met een kleine Fiat 6PK. Vooraan in de wagen François de Sauvage (links), daarnaast Louis de San. Foto Dr. Hellemans.
Vooroorlogse zweefvliegbrevetten. Hier de insignes voor Franse brevetten. Op Belgische brevetten staat de letter "B". De insignes met de meeuwen werden ontworpen door Fritz Stamer rond 1924

Zoals gezegd was de recordvlucht van Hirth op de Kesselberg in 1930 de katalysator voor het ontstaan van de eerste zweefvliegclubs in België.

Het vervolg van ons verhaal focust enkel nog op de clubs en de mensen die een band hadden met Leuven en/of de Leuvense universiteit. Voor een bredere invalshoek: zie het boek "Zweefvliegen in Vlaanderen" door Bert Sr. Schmelzer, 2010 (ISBN 978-90-81501-60-6). De tekst hieronder bevat nieuwe inzichten en bijkomende details, gebaseerd op recent onderzoek.

Congres van de universitaire luchtvaart afdelingen, met inhuldiging van twee Sabca Juniors

De universitaire luchtvaart afdelingen (later ANCUPA / NVUKL geworden, zie verder) hielden tijdens het weekend van 25-26 april 1931 hun jaarlijks congres in Haren. Bij die gelegenheid werden er op het vliegveld van Evere twee nieuwe Sabca Juniors gedoopt en ingevlogen door Suzanne Lippens: de eerste op zaterdag 25 april, eigendom van "VOLCEP", de club van de ingenieursstudenten van de Université Libre de Bruxelles (ULB); de tweede op zondag 26 april, eigendom van de "Cercle Universitaire Catholique de Vol sans Moteur" (CUCVSM), de club van de katholieke hogeschoolstudenten in Brussel.

Het weekblad "Le Patriote Illustré" vond dit evenement nieuwswaardig genoeg om er op 3 mei een paginagrote fotoreportage aan te wijden. Ze schreven het volgende:

ZWEEFVLIEGEN IN BELGIË. — EEN INITIATIEF VAN DE UNIVERSITEITSJEUGD.

De twee dagen van zaterdag en zondag, in Evere, waren gewijd aan de studenten die, in de marge van hun cursussen, zich willen inwijden in de theorieën en in de praktijk van het vliegen zonder motor, de beste voorbereidende school op de luchtvaart. Bij deze gelegenheid ontvingen twee zweefvliegtuigen, die van de studenten van Brussel en die van de Cercle Universitaire Catholique het doopsel uit handen van Mejuffrouw Lippens, dochter van de Minister van Verkeer. De foto's tonen de vliegtuigen zonder motor, — ze zijn van Belgische makelij, — in volle vlucht in het luchtruim van Evere, en bestuurd door katholieke studenten en door juffrouw Lippens; hieronder, een blik op het vliegveld bij de lancering van een zweefvliegtuig, en de vliegenierster juffrouw Lippens die de traditionele fles champagne op de neus van het vliegtuig breekt.

De VOLCEP inhuldiging werd vooraf (op vrijdag 24 april) aangekondigd in de Aalsterse krant "De volksstem". Het artikel spreekt van de aanwezigheid van rektor "Smits", maar bedoeld wordt professor Georges Smets, toenmalig rector van de ULB. Ook minister Maurice August Lippens (vader van Suzanne Lippens) zou aanwezig zijn. Volgens deze krant was VOLCEP de "zeilvliegvereeniging aan de polytechnische club". De ULB had sinds 1873 een "École polytechnique de Bruxelles" (ingenieursfaculteit) en sinds 1884 bestond er een studentenvereniging "Cercle Polytechnique" (afgekort CP). De letters "CEP" in VOLCEP zouden eventueel naar "Cercle Polytechnique" of "Cercle des Étudiants Polytechniques" kunnen verwijzen. VOLCEP was dus een club van de ingenieursstudenten van de ULB.

Van de doop van het CUCVSM toestel op zondag lijkt geen beeldmateriaal te bestaan, maar van de inhuldiging van de VOLCEP zwever op zaterdag hebben we wel bijkomende set foto's gevonden (KIK-IRPA, archief van Jacques Hersleven). Op een van die foto's herkennen we naast Suzanne Lippens ook de bekende zweefvlieger Robert Kronfeld (de man met de hoed in de hand).

Omdat VOLCEP geen link heeft met Leuven, gaan we hier niet verder in op de geschiedenis van deze club, maar het leek nuttig om de foto's van zaterdag als illustratiemateriaal in ons verhaal te gebruiken. Er kan immers aangenomen worden dat de inhuldigingsplechtigheid van CUCVSM de volgende dag zeer gelijkaardig was, en zo heb je als lezer een idee hoe het er aan toe ging.

Cercle Universitaire Catholique de Vol sans Moteur (CUCVSM)

Een dik jaar na de demonstratievluchten van Wolf Hirth op de Kesselberg, en zes weken vóór hogervermeld congres, op woensdag 11 maart 1931 om precies te zijn, zag de "Cercle Universitaire Catholique de Vol sans Moteur" — afgekort CUCVSM — het levenslicht in het kantoor van een notaris te Brussel. De statuten vermelden als oprichters:

  • Ingenieur Albert Coppens, professor aan de U.C.L.
  • Jean de Wouters d’Oplinter
  • Maurice Lebbe, student aan de U.C.L.
  • André Goethals, ingenieursstudent aan de U.C.L.

De zetel van de vereniging werd gevestigd in een pand van de Dominikanen (Orde der Predikheren) gelegen op de Tervurenlaan in Brussel (Sint-Pieters-Woluwe).

Een artikel verschenen in "La Conquête de l'Air" in 1932 meldt dat de oprichting van deze vereniging te danken was aan het initiatief van enkele studenten van het Instituut Saint-Louis te Brussel, leden van het bestuur van de propagandakring van hetzelfde instituut. Het was een Brusselse club, maar het lidmaatschap stond open voor zowel studenten van Saint-Louis als van de Leuvense universiteit. Was er een band tussen de twee instellingen? Jazeker: beide waren katholiek. Voorts kon men in Saint-Louis Letteren en Wijsbegeerte studeren, en in die tijd was een kandidaatsdiploma in die richting een vereiste om aan de rechtenstudie te mogen beginnen. Dus Brusselse rechtenstudenten stroomden door van Saint-Louis naar Leuven. Het was allemaal zeer kleinschalig. Om een idee te geven: in Leuven waren er toen slechts 4000 studenten in totaal, en in Brussel 2700. Vergelijk dit met de 50.000 studenten in Leuven heden ten dage!

De katholieke Brusselse studenten waren er trots op dat zij de eerste universitaire zweefvliegclub waren die in België werd opgericht, want hoger vermelde statuten verschenen op 4 april 1931 in het Staatsblad.

Zodra de club was opgericht, stelde Jean de Wouters d'Oplinter, een gebrevetteerd zweefvliegpiloot van de Rhön, zijn lange technische en praktische ervaring ter beschikking van de club door de zware verantwoordelijkheid van instructeur op zich te nemen.

We weten uit "La Conquête de l'Air" dat het bestuur in 1932 als volgt was samengesteld:

  • Voorzitter: Mr. Antoine Soenens, student rechten aan de Universiteit van Leuven
  • Instructeur: Ridder Jean de Wouters d'Oplinter
  • Technisch secretaris: de heer José de Vinck, student rechten aan de universiteit van Leuven
  • Administratief secretaris en penningmeester: Mr. Jacques Carlier, student rechten aan de universiteit van Leuven
  • Ondersecretaris: Juffrouw Marie-Thérèse Soenens

Dankzij de vrijgevigheid van de heer Gosset, directeur van de sigarettenfabriek Saint-Michel, beschikte de vereniging sinds 19 april 1931 (dus al enkele weken na haar oprichting) over haar eerste zweefvliegtuig. Dit zweefvliegtuig, genaamd "Saint-Michel", was een Sabca junior. Het toestel werd officieel gedoopt door mejuffrouw Suzanne Lippens tijdens een plechtigheid op het vliegveld van Evere, op zondag de 26ste.

De eerste opleidingssessie vond plaats op 3 mei 1931, gevolgd door twee andere, op 10 en 24 mei. Helaas moesten deze worden onderbroken na het ongeluk dat burggraaf Raoul Vilain XIIII op 25 mei overkwam. Pas op 22 november konden ze worden hervat en vanaf die datum tot Pasen 1932 werden 470 vluchten uitgevoerd, dat wil zeggen met het zeer goede gemiddelde van 40 starts per vliegdag.

Tijdens de paasweek van 1932, in Hébronval, behaalde de club 6 A-brevetten en één B-brevet.

De club gebruikte in 1931 het terrein van de luchtvaartkazerne van Zellik (vliegbasis voor waarnemingsballons), maar verhuisde na enige tijd (waarschijnlijk vanaf 1932) naar het Leuvens militair oefenterrein (gelegen in Heverlee), dat door zijn lichte helling langere vluchten mogelijk maakte. Een bijkomende reden voor de verhuis was waarschijnlijk ook dat de Brusselse studenten van Saint-Louis doorstroomden naar Leuven om er hun studie te voltooien.

Union Universitaire Louvaniste de Vol à Voile (UULVV)

Ondertussen werkte André Goethals aan de stichting van een tweede club, de “Union Universitaire Louvaniste de Vol à Voile” (UULVV). De statuten verschenen een jaar na die van de CUCVSM in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 14 januari 1932.

De vier oprichters verdeelden de bestuursfuncties als volgt:

  • Voorzitter: Ingenieur Albert Coppens, professor aan de Universiteit van Leuven
  • Ondervoorzitter: Ridder Jean de Wouters d'Oplinter
  • Penningmeester: E.H. Marcel Buysse, een jezuïet
  • Secretaris: Mr. André Goethals, student aan de Universiteit van Leuven

De zetel van de vereniging werd gevestigd in de Minderbroederstraat te Leuven, op het kantooradres van Marcel Buysse, recht tegenover je Jezuïetenklooster waar Buysse gedomicilieerd was.

Ook hier was de publicatie van de statuten was net op tijd voor de inhuldiging van het eerste toestel.

Men was inderdaad al enige tijd op zoek naar een sponsor voor de aankoop van een zweeftoestel dat in die dagen rond de 6.000 Fr. kostte (waarde in 2020: rond de 5000 €). Uiteindelijk kon men de firma Vander Elst hiertoe bewegen (ook een sigarettenfabrikant), en de eerste zwever van de nieuwe club — een Kassel 12 — werd als dank aan de sponsor "Miss Belga" genaamd. Ter opfrissing: "Miss Belga" was de dame met zwierige pluimhoed die jarenlang op de gelijknamige sigarettenpakjes stond afgebeeld.

Het toestel kwam per trein aan vanuit Duitsland. Het werd door de studenten van het station via de Ring en de Parkpoort naar het Militair Oefenterrein te Heverlee gedragen, waar een vriendelijke boer een schuur ter beschikking had gesteld.

De inhuldiging van de club was aanleiding tot belangrijke manifestaties: de Kassel 12 werd op woensdag 20 januari 1932 ingewijd door Monseigneur Ladeuze, Rector van de Universiteit, en het toestel werd burgerlijk gedoopt (breken van de traditionele fles champagne op de neus van het vliegtuig) en officieel ingevlogen door Suzanne Lippens. Zij was voor de gelegenheid met haar eigen vliegtuig naar het Militair Oefenterrein gekomen. Onder de organisatoren noteerden we uiteraard professor Coppens en André Goethals; en als toeschouwers kolonel van Dooren, kolonel Monnoyer de Galland en vele luchtvaartpersoonlijkheden, waaronder majoor Albert Massaux, voorzitter van de centrale zweefvliegsectie; de heer Jacques Ledure, van de club "Envol", van Brussel; de heer Cody, commandant Delfosse, voorzitter van de zweefvliegclub van Namen; de voorzitter van de club van Verviers, enz. Na Suzanne Lippens maakten ook majoor Massaux, adjudant-vlieger Cody en Jean de Wouters, instructeur van de club, op hun beurt vluchten met het toestel. Voorts maakte Antoine Soenens, voorzitter van de Brusselse club (CUCVSM), enkele zeer succesvolle vluchten met zijn zwever. De week nadien hield Suzanne Lippens in het Hotel Métropole in de Vital Decosterstraat (waar nu de FNAC is gelegen; de buitenkant is nog steeds de originele gevel van het hotel) een spreekbeurt met diaprojectie over het zweefvliegen, voor een talrijk opgekomen publiek van studenten en notabelen. Dit was aangekondigd voor 18 januari, maar uitgesteld tot maandag 25 januari. Het evenement werd georganiseerd door de "Section Scolaire Aéronautique de l'Athénée Royal de Louvain" (SESAL). "Le Moniteur de Louvain" noteerde onder de aanwezigen baron Pierre de Dieudonné (arrondissementscommissaris in Leuven), schepen Raoul Claes (enkele jaren later burgemeester van Leuven), kolonel Van Dooren (plaatscommandant) en echtgenote, kolonel Monnoyer de Galland, mevrouw Dumont (lid van de gemeenteraad), prefect Stappers (erevoorzitter van SESAL), advocaat Brughmans, notaris Armand Hollanders de Ouderaen (bij wie de UULVV haar oprichtingsakte had verleden), Antoine Soenens (voorzitter van de universitaire zweefvliegsectie en van CUCVSM), en de professoren Van Keymeulen en Gaston Gillain (directeurs van SESAL).

Vervolgens begon men met de vliegoefeningen. Een twaalftal studenten schreef zich in. Onder hen ook Louis de San mogen we aannemen (hij komt verder nog ter sprake). Het lidgeld was matig en zij die geen geld hadden dienden niets te betalen.

De eerste twee of drie vliegsessies vonden plaats met de hulp van instructeur Jean de Wouters, en daarna achtten zij zich voldoende ervaren om alleen te vliegen.

Natuurlijk waren er geen tweezitters. Het vertrek gebeurde met een bungeekoord, een soort grote kabel gemaakt van een zeer groot aantal rubberen strengen in een rekbaar omhulsel.

Deze kabel werd in een V vorm gelegd en in het midden vastgehaakt aan de voorste haak van het zweefvliegtuig. Een team van drie man zat aan elke kant van de V, klaar om het bungeekoord aan te spannen op commando van de piloot. Een of twee andere teamleden hielden het zweefvliegtuig vast aan een staarttouw.

Op het moment van loslaten, werd het zweefvliegtuig gekatapulteerd naar een maximale hoogte van 10 tot 15 meter. Het katapulteren kon worden aangepast aan de ervaring van de leerling; de eerste "vluchten" waren niet meer dan laag over de grond scheren.

De constructie van de Kassel 12 was nogal rudimentair: geen cockpit maar een openluchtzitje vooraan. Geen wiel, maar een schaats die bijna elke keer dat men trainde kapot ging. Geen instrumenten: het geluid van de wind tijdens de vlucht was het enige dat als snelheidsmeter kon worden gebruikt. Het glijgetal was ongeveer 12 en de vliegsnelheid ongeveer 40 km/uur.

De club bouwde een aanhangwagen en later een lier waarmee starthoogten van ongeveer 200 tot 300 meter konden worden bereikt.

Intussen had de Aero-Club van België een veld aangelegd in Hébronval bij Vielsalm, meer bepaald op de zuidkant van de 565 meter hoge heuvelrug "Montagne de Colanhan" waar luitenant Maurice Damblon al in 1924 een vlucht van 35 minuten gemaakt had. Hier bevond zich een oost-west georienteerde helling van ongeveer 1500 meter lang met 100m. hoogteverschil. Bij zuidenwind had men daar hellingstijgwind. Langs de helling was een strook dennenbomen gekapt om een landingsbaan te creëren; de talrijke prikkeldraad afsluitingen waren verwijderd en onderaan de helling was een hangar gebouwd die plaats bood aan 7 zweefvliegtuigen.

Tijdens de trainingen werden een boer en zijn paard gebruikt om de toestellen opnieuw naar boven te slepen.

De eerste trainings-veertiendaagse vond plaats in 1931, de tweede met Pasen 1932. De club van Leuven had gedurende twee maanden getraind en besloot in 1932 deel te nemen met acht piloten of kandidaat-piloten die min of meer ervaren waren door de vluchten die ze op het oefenterrein van Leuven hadden uitgevoerd.

Op dat moment waren er 12 zweefvliegclubs in België waarvan er 8 aanwezig waren in Hébronval met 81 piloten. De Leuvense studenten presteerden niet al te slecht want alle acht behaalden snel hun A brevet (30 sec. vliegen) en vijf van hen een eerste kwalificatie voor het B brevet (1 min. en 2 bochten).

Merk op dat de Centrale Sectie Zweefvliegen van de Belgische Aero-Club (toen voorgezeten door majoor Massaux) in die periode premies uitloofde aan piloten voor het behalen van brevetten in het kader van hun deelname aan een kamp in Hébronval: 100 fr. per behaald brevet A, 300 fr. voor een brevet B, en 800 fr. voor een brevet C. Gezien het feit dat een werknemer in die tijd enkele duizenden franken per maand verdiende, was dat helemaal niet slecht! (in euro's van 2020: 100 fr. = € 85; 300 fr. = € 250; 800 fr. = € 680).

Natuurlijk waren er enkele breuken en de Kassel 12 uit Leuven werd zwaar beschadigd tijdens een ongeplande landing in de bomen, gelukkig zonder enig letsel voor de piloot.

Tijdens deze training werden enkele Belgische records gebroken door de weinige gekwalificeerde piloten die aanwezig waren: eerste hoogterecord in België (100 meter boven de startplaats) en record duurvlucht (2 uur 11 minuten). Deze records, die ons tegenwoordig doen glimlachen, waren een bron van verbazing voor de beginners die hun vluchttijden nog in minuten en seconden telden!

Na deze opwindende en veelbelovende beginjaren, nam de belangstelling voor het zweefvliegen in België af en vielen de activiteiten van de Leuvense club een beetje stil, te wijten aan het feit dat het zweefvliegen een vermoeiende sport was, vaak op afgelegen en vanuit steden moeilijk bereikbare plaatsen moest gebeuren, en dat de mogelijkheden van het echte zweefvliegen nog niet goed gekend waren.

In 1934 fusioneerde de UULVV met "Les Ailes Wavriennes", een club opgericht in 1933 (*). Uit een publicatie in het Staatsblad blijkt dat eind 1935 het volledig bestuur van "Les Ailes Wavriennes" ontslag nam (of werd ontslagen), en de naam van de vereniging werd gewijzigd in "L’Arian", met Louis de San als voorzitter. In de periode 1934-1936 boekte de San met zijn oude vriend François de Sauvage succes met een nieuw concept: opleiding met autosleep op het ruime strand van De Panne. De instructeur gaf vanuit de rijdende wagen met een megafoon instructies aan de beginners, die met een 30 meter lange kabel voortgesleept werden. Met een langere kabel kon men met autosleep hoogtes tot 150 meter bereiken. Op 17 april 1936 maakte Louis de San er een recordvlucht van meer dan 3 uur, gebruik makend van hellingstijgwind op de 30 meter hoge duinen. Dit zou de langste vlucht in België blijven vóór WO II.

(*) Verder onderzoek is noodzakelijk: Ligablad nr. 5 (April 1981) meldt "Cercle Universitair de Louvain fusioneert in 1934 met Les Ailes Wavriennes" terwijl in de volgende aflevering in Ligablad nr. 6 (Juni 1981) zowel CUCVSM als de UULVV nog steeds in de lijst van clubs prijken, maar Les Ailes Wavriennes en L’Arian er niet tussen staan. Ligablad nr. 7 (September 1981) bevat een lijst van 9 clubs die in 1937 nog bestonden, en geen enkele van hierboven vermelde 4 clubs komt daar nog in voor.

Stand van zaken op de vooravond van WO II

Tot eind 1938 werden er in België in totaal 130 A-, 65 B- en 27 C-brevetten uitgereikt. Aan de hogere brevetten uit de lijst hieronder was men in België nog niet geraakt.

  • A-brevet: vlucht in rechte lijn van minstens 300 meter of 30 seconden, gevolgd door een goede landing
  • B-brevet: twee vluchten van 45 seconden in rechte lijn, plus een vlucht van één minuut met een S-bocht
  • C-brevet: vlucht van 5 minuten zonder hoogteverlies
  • D-brevet, ook bekend als "zilveren C-brevet" (niet te verwarren met het C-brevet hierboven!) of "zilveren brevet": 1000 m hoogtewinst, duurvlucht van 5 uur (vrije vlucht), en 50 km afstand in rechte lijn
  • E-brevet, ook bekend als "gouden C-brevet" of "gouden brevet": vlucht van 300 km (niet noodzakelijkerwijs naar een vooraf bepaald doel) en 3000 m hoogtewinst
  • F-brevet, ook bekend als "diamanten brevet": 300 km doelvlucht, vlucht van 500 km (niet noodzakelijkerwijs naar een vooraf bepaald doel) en 5000 m hoogtewinst

De A en B brevetten werden ingevoerd in het begin van de jaren 1920. Na verloop van tijd werd een niveau C toegevoegd. Het D-brevet (zilveren C) werd ingevoerd in 1931. De eerste ontvangers van de Silver C waren Wolf Hirth en Robert Kronfeld op 15 februari 1931. Het E-brevet (gouden C) werd in 1935 ingesteld. Het F-brevet (diamanten brevet) begon pas na de oorlog in 1949. De insignes met de meeuwen werden ontworpen door Fritz Stamer rond 1924.

De D, E en F brevetten zijn heden FAI brevetten (d.w.z. wereldwijd gestandaardiseerd, volgens de regels in de FAI sportcode). De lagere brevetten zijn nationaal geworden. Bijvoorbeeld in de 2de helft van de 20ste eeuw waren de definities in België als volgt: over een A-brevet werd niet meer gesproken (maar komt overeen met eerste solo); B-brevet na twee solovluchten; C-brevet na 1 uur vrije vlucht solo (na het loskoppelen van de sleper). Er waren nationale varianten: bijvoorbeeld in Nederland verkreeg men het C-brevet al na 30 minuten vrije vlucht.

Kaart bovenaan: Stafkaart van Leuven uit de jaren '30. Men vloog op het Militair Oefenterrein te Heverlee, ook genaamd "Plaine d'Excercises" of "Nieuw Exercitieterrein". Het plein helde enigszins af in de richting van de Abdij van Park, waardoor men langere glijvluchten kon maken. De lengte van het terrein was 600m van het kruispunt Hertogstraat/Kerspelstraat tot aan het kruispunt Milseweg/Vinkenbosstraat. Gespreid over dit traject was er 20 meter hoogteverschil. Op dit zelfde terrein kwam ook de Brusselse studentenclub (CUCVSM) vliegen. Tijdens de oorlog gebruikten de Duitsers het bovenste plat gedeelte als noodvliegveld. Na de oorlog vloog de "Dijlezwaluw" er. Tot in de jaren '70 werd er ook aan modelvliegen gedaan. In de jaren '30 bereikte men vanuit Leuven het plein via de Parkpoort, de Geldenaaksebaan, de Milseweg (toen genaamd Zavelstraat), en dan een steil omhoog lopende toegangsweg naar rechts. Deze toegang bestaat heden nog altijd maar is met betonblokken afgesloten.

Voor details, klik hier.

Nota: Van 1968 tot 2020 werd in allerhande publicaties geschreven dat de vooroorlogse club op het militair oefenterrein aan de Parkpoort vloog — heden de plaats van de Philipssite. Dit was gebaseerd op een tekst geschreven voor de Leuvense Luchtvaart-Expo van 1968 en een verkeerde interpretatie van een tekst van André Goethals uit 1979. Aan de Parkpoort bevond zich sinds de 19de eeuw weliswaar het oorspronkelijke militair oefenterrein van Leuven, maar dit werd in de jaren '20 gesloten en de militairen verhuisden naar een nieuw terrein in Heverlee, een kilometer verderop. Pas eind van de jaren '30 werd daar ook een kazerne gebouwd. De oefenterreinen dienden tot in de jaren '30 vooral voor de artillerie van de kazerne Sint-Maartensdal. De kanonnen werden getrokken door paarden en deze maneuvers werden op het plein geoefend. De Rijschool in de Rijschoolstraat was een indoor locatie (manège) voor de dressuur van de paarden, zonder de kanonnen.

Wie waren de mensen die zich toen met zweefvliegen bezig hielden?

Deze zweefvliegverenigingen waren studentenclubs. Maar laat ons niet vergeten: zowel zweefvliegen als hogere studies, dat was vooral iets voor de elite in die tijd. Frans was in de meeste gevallen de voertaal. De hierboven vermelde mensen kwamen uit begoede en invloedrijke families, waren katholiek geïnspireerd, hadden de juiste connecties, bij velen stroomde blauw bloed door hun aderen, ze kenden mekaar goed en ze waren in een aantal gevallen zelfs familie van elkaar. Velen beschikten over een wagen en konden zich dus gemakkelijk verplaatsen. Dat was zeker geen evidentie in die tijd! Interesse in zweefvliegen, carrièregerichtheid en avontuurlijk bloed, dat gaat blijkbaar goed samen. Velen hebben dan ook een markant leven geleid. Enkele biografieën:

Professor Albert Coppens (1885 - 1966, 46j. oud in 1931): mede-oprichter van beide zweefvliegverenigingen (CUCVSM en UULVV), en voorzitter van de UULVV. Coppens verhuisde op jonge leeftijd naar Oostende omdat zijn vader, die vrederechter was, naar deze stad was overgeplaatst. De jonge Coppens studeerde er Grieks en Latijn aan het plaatselijke college. In 1904 ging hij over naar de Universiteit van Leuven. Hij behaalde in 1909 het diploma Burgerlijk Bouwkundig Ingenieur en in 1911 het diploma van Elektrotechnisch Ingenieur. Coppens was ondertussen door de Leuvense universiteit in 1910 tot docent en het daaropvolgende jaar tot buitengewoon hoogleraar benoemd en was één van de eersten die in het Nederlands doceerde. Hij doceerde werktuigdynamica. In de oorlogsjaren, toen het universiteitsleven stilviel, werkte hij als Designer and Assistant Engineer bij de afdeling stoomturbines van de British Thomson-Houston te Rugby (1915 tot 1918). In het laatste jaar voor de Wapenstilstand leidde hij de proeven aan de motoren van het Consortium des Constructeurs d’avions in Levallois-Perre in Frankrijk. In 1919 keerde Coppens naar de Universiteit van Leuven terug. Tegelijkertijd trad hij in dienst als hoofd van het onderzoekslaboratorium voor motorrijtuigen van F.N. in Herstal. Deze post zegde hij al in 1926 op, omdat ze niet te combineren viel met de nieuwe functie als hoofd van de Thermotechnisch Laboratorium die hij nu ontving. Coppens was nauw betrokken bij de oprichting van dit laboratorium. Hij ondernam hiervoor studiereizen naar instituten in Zürich, Delft en België. Na deze studiereizen benadrukte hij het belang van een adequate hoogte van het gebouw en de aanwezigheid van voldoende lichtinval, verwarmingsystemen, pompen, ventilatie, kantoren en opbergruimtes. Het gebouw zelf werd uitgetekend door architect Emile Goethals, maar de binnenruimtes werden door Coppens zelf en zijn collega Paul Daubresse ingedeeld. De machines, waarvoor zij de specificaties hadden uitgeschreven, waren uniek met talrijke didactische verfijningen. Deze machinecollectie werd lange tijd gebruikt voor de opleiding van ingenieursstudenten. In 1932 werd Coppens decaan van de Faculteit Wetenschappen. Hij was lid van de Rectorele Raad, voorzitter van de Speciale Scholen, werkend lid van de Klasse der Wetenschappen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, lid van Institution of Mechanical Engineers in Londen, lid van Society of Automotive Engineers in New York en voorzitter van de Wetenschappelijke Commissie van de injectiemotoren van de Belgische Vereniging van Werktuigkundigen.

E.H. Marcel Buysse: mede-oprichter en schatbewaarder van de UULVV. Deze jezuïetenpriester was tot 1934 secretaris-generaal van AUCAM (Association Universitaire Catholique pour l'Aide aux Missions / Academia Unio Catholicas Adjuvans Missiones), een organisatie die als uiteindelijk doel had om een intellectuele elite te vormen in Afrika. AUCAM creëerde instellingen die in 1954 hebben geleid tot de oprichting van Lovanium, een katholieke universiteit in Leopoldstad (nu Kinshasa) in Belgisch-Congo en een voorloper van de Universiteit van Kinshaha. Vanaf 1934 was Buysse prefect van de Facultés de Notre-Dame de la Paix in Namen, de huidige Université de Namur (we vermoeden sterk dat dit dezelfde Marcel Buysse was, vermits 1934 zowel het einde van het Leuvens mandaat van secretaris-generaal was als de start van de Naamse functie van prefect).

Ridder Jean de Wouters d'Oplinter (1905 - 1973, 26j. oud in 1931): mede-oprichter en instructeur van beide zweefvliegverenigingen (CUCVSM en UULVV), en ondervoorzitter van de UULVV. Zijn vader was politicus en gedurende een korte periode minister van economische zaken (in 1920). Hij en zijn tweelingzus waren de jongste van zeven kinderen. Hij was zeer intelligent: op dertienjarige leeftijd gedurende WO I bouwde hij zijn eigen radio ontvanger. Werd luitenant tijdens zijn militaire dienst. Studeerde economie maar werd bekend als vliegtuigontwerper, uitvinder (met verschillende patenten op zijn naam) en watersportliefhebber. Leerde zweefvliegen in Duitsland op de Rhön en werd instructeur. Rond 1938 werkte hij voor Avions Tipsy en bouwde verschillende Tipsy vliegtuigen. In 1938 ontwierp en bouwde hij zijn eigen sportvliegtuig (Wouters W.4 met immatriculatie OO-ARV). Hij was uitvinder van een vleugelconcept waarin de Belgische overheid niet geïnteresseerd was maar dat later door de Duitsers gebruikt werd voor de Stuka bommenwerpers. Na de oorlog wilde hij niets meer met luchtvaart te maken hebben en trok naar Zuid-Frankrijk. Hij werd een vriend van Pablo Picasso. In de haven van Nice had hij een zeilboot liggen. Daar leerde hij Jacques-Yves Cousteau kennen. Hij bouwde voor hem o.a. een onderwater scooter en duikboot. Hij was ook de uitvinder van de Nikon onderwater camera. Nog later hield hij zich bezig met het verbeteren van de aerodynamica van koersfietsen en het ontwikkelen van turbozeilen voor vrachtboten. Op het einde van zijn leven verdiepte hij zich vooral in filosofie. Jean de Wouters was via zijn tweelingzus oom van graaf Didier de Meeûs d'Argenteuil, LUAC lid vanaf 1967 en bij de splitsing van de club in 1977 overgegaan naar de ACUL. Via zijn oudste zus (14 jaar ouder) was hij ook oom van baron José de Vinck met wie hij samen in de zweefvliegclub zat. Hij is tevens verre familie van Marlene de Wouters (televisiepersoonlijkheid, presentatrice, auteur en voormalig tennisspeelster). Haar over-over-grootvader Alphonse was ook de overgrootvader van Jean.

Jonkheer André Goethals (1909 - 1979, 22j. oud in 1931): lid van de "Section Aéronautique Universitaire de Louvain" en leverde ondersteuning bij de vluchten van Wolf Hirth op de Kesselberg in 1930; vervolgens mede-oprichter van beide zweefvliegverenigingen (CUCVSM en UULVV), en secretaris van de UULVV. Werd burgerlijk ingenieur. Zijn vader was arrondissementscommissaris voor Kortrijk. De familie Goethals was een notabele familie uit die stad. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw traden verschillende leden van deze familie op het voorplan. De daaropvolgende generatie leverde meerdere voormannen tijdens de Belgische Revolutie. De hoofdactiviteit van heel wat leden van de familie bevond zich in de textielindustrie. Verschillende takken van de familie verkregen opname in de Belgische adel. Heel wat leden van de familie, zowel mannen als vrouwen, traden in het huwelijk met edellieden. Zo waren er ook banden met de familie de Wouters d'Oplinter. Hoogstwaarschijnlijk was Goethals dus verre familie van Jean de Wouters. Na zijn initiële zweefvlieg exploten was Goethals overgestapt naar motorvliegen: van 1936 tot aan de oorlog bezat hij een Breda 15 met immatriculatie OO-ALI, gestationeerd in Wevelgem; van 1948 tot 1958 een Globe Swift (eveneens geïmmatriculeerd OO-ALI, thuisbasis Gent), en vanaf 1966 een Piper Comanche (OO-GOE). Hij is ook blijven zweefvliegen (bij Aéro-Club du Hainaut): vanaf 1962 bezat hij een Austria SH1 Standard (OO-ZLI) waarmee hij aan verschillende Belgische kampioenschappen deelnam. Hij werkte na de oorlog bij de Regie der Luchtwegen (RLW): zijn naam komt voor in de lijst van piloten die met de Piper Cubs van de RLW hebben gevlogen. Na zijn pensioen is hij in Zuid-Frankrijk gaan wonen. Van 1972 tot 1977 had hij een Cessna Centurion (OO-HGO) in Cannes, en een zwever in Fayence (een Nimbus 2 OO-HZG). Hij overleed in België eind 1979. Zijn zoon jonkheer François Goethals (1955-1988) was eveneens burgerlijk ingenieur: hij was CEO van Aviasud Engineering, ontwerper en bouwer van lichtgewichtvliegtuigen (Mistral, Sirocco, Albatros).

Baron José de Vinck (1912 - 2012, 19j. oud in 1931): technisch secretaris van CUCVSM. Was een neef van Jean de Wouters (de oudste zus van deze laatste was de moeder van José de Vinck). Behaalde de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid aan de universiteit van Leuven. Emigreerde voor de oorlog naar de Verenigde Staten, en vestigde zich in New Jersey waar hij professor filosofie en theologie werd. Hij was ook schrijver, dichter, vertaler en uitgever van een groot aantal filosofische en theologische werken. Hij werd 100 jaar oud.

Maurice Lebbe (1910 - 1959, 21j. oud in 1931): mede-oprichter van CUCVSM. Studeerde rechten aan de universiteit van Leuven. Hij werd in 1942 benoemd tot substituut-procureur in Nijvel en werd wegens zijn patriottische activiteiten in het verzet naar Engeland overgeplaatst waar hij werkte als substituut-militair procureur. Na het einde van de vijandelijkheden keerde hij terug om in 1945 tot substituut-procureur in Brussel benoemd te worden. In december 1951 werd hij benoemd tot vrederechter in het kanton Edingen. Tijdens de oorlog was hij lid van een inlichtingen netwerk (Carol) en een netwerk dat vluchtroutes voor geallieerde piloten organiseerde (Comète). Hij ontving meerdere eretekens: Ridder in de Orde van Leopold II, het oorlogskruis met palmen, en het Kruis der Ontsnapten.

Jacques Carlier (1912 - 1967, 19j. oud in 1931): administratief secretaris en penningmeester van CUCVSM. Studeerde rechten aan de universiteit van Leuven. Wij vermoeden sterk dat dit de Jacques Carlier was die diende bij de Belgische Militaire Luchtvaartdienst, in de Luchtmachtschool toen de Duitsers België binnenvielen in 1940. Eind van de jaren '30 was hij onderluitenant observator en boordschutter. In 1940 had hij net zijn brevet van burgerpiloot behaald en was bezig met zijn opleiding van militair piloot. Geëvacueerd naar Marokko, in Oujda, toen Frankrijk zich overgaf, voegde hij zich bij Engeland met een groep studenten die onder leiding stonden van kapitein Cajot. Zij kwamen op 5 augustus 1940 in Groot-Brittannië aan en traden allen toe tot de RAFVR. Na de gebruikelijke training voor nieuwe rekruten te hebben voltooid, werd Jacques op 20 november 1941 bij 135 Sqn en daarna bij 350 Sqn geplaatst. Op 8 januari 1942 raakte F/Lt J.A.M.J.G. Carlier, B- Flight leader vliegend met Spitfire IIa P8702, aan het hoofd van de linkersectie van een groep van 12 toestellen onder leiding van S/Ldr Thompson, per ongeluk gewond toen een Lysander (V9604) door de formatie vloog en het toestel van Carlier raakte. Carlier slaagde erin een noodlanding te maken met zijn zwaar beschadigde vliegtuig, maar raakte ernstig gewond en bracht verscheidene maanden in het ziekenhuis door met een aanvankelijk onzekere prognose. Hij eindigde de oorlog als testpiloot en sloot zich aan bij Squadron 24 toen hij volledig hersteld was.

Antoine Soenens: voorzitter van CUCVSM. Voorzitter van de "Section universitaire de vol à voile". Studeerde rechten aan de Universiteit van Leuven. Was in 1932 ook aanwezig op de inhuldigingsplechtigheid van de UULVV op het oefenterrein te Heverlee, en vloog daar met "zijn" toestel (misschien de Sabca Junior van CUCVSM?). Wij vermoeden dat dit dezelfde Antoine Soenens is die in 1965 raadsheer was aan het hof van beroep te Gent.

Marie-Thérèse Soenens (1913-1997, 18j. oud in 1931): ondersecretaris van CUCVSM. Wij vermoeden dat dit de Marie-Thérèse Soenens was die later huwde met Adelin Vermer (1905 - 1977, 26j. oud in 1931), die promoveerde tot doctor in de rechten en tot licentiaat in de politieke en diplomatieke wetenschappen aan de universiteit van Leuven. Hij vestigde zich als advocaat in Dinant. In 1936 werd hij verkozen tot Rex-volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Dinant-Philippeville en vervulde dit mandaat tot in 1939. In 1941 werd hij benoemd tot substituut van de procureur des Konings in Neufchâteau en werd in 1945 in dit ambt bevestigd. In 1949 werd hij bevorderd tot procureur des Konings bij dezelfde rechtbank.

Baron Louis de San (1909 - 1995, 22j. oud in 1931): studeerde aan de universiteit van Leuven en leerde er begin van de jaren '30 zweefvliegen met Jean de Wouters als instructeur (onduidelijk of dit via de CUCVSM of de UULVV was). Exploreerde in de periode 1934-1936 de zweefvliegmogelijkheden om langs de Belgische kust te zweven (De Panne). Experimenteerde met autosleep op het strand als opleidingsmethode. Werd eind 1935 voorzitter van de pas tot "L’Arian" hernoemde zweefvliegclub "Les Ailes Wavriennes". Op dat ogenblik was hij diplomatiek stagiair bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Brussel. Op 17 april 1936 maakte hij een recordvlucht van meer dan 3 uur op het strand van De Panne, gebruik makend van hellingstijgwind op de duinen. Op 30 augustus 1937 slaagde hij er tijdens een oefenweek in Saint-Hubert in om met een "Rhönadler" het Belgisch hoogterecord van 125 op 1.210m te brengen. In 1939 kreeg hij als lid van de Belgische ambassade te Berlijn de kans om de Duitse rijkszweefvliegschool Grunau, in Oberschleziën in het Reuzengebergte (thans Polen) te bezoeken. Hij behaalde er het officieel erkend zilveren C-brevet en maakte een vlucht van 6 h 21 min, alsook een hoogtevlucht tot 3.900m (4.900m volgens een andere bron). Later in 1939 nam Louis de San de boot naar China om er zijn diplomatentaak te vervullen. In 1940, in volle oorlogstijd, zag hij in Chunking hoe de Chinese militairen twee prachtige nieuwe zwevers van het type "Rhönsperber" geleverd kregen. Tijdens de eerste vlucht liet een Chinese piloot zich tot 2.000 meter opslepen om dan een mooie stuntdemonstratie te geven. Jammer genoeg dook zijn toestel vanop zowat honderd meter hoogte, om een onverklaarbare reden direct naar de grond en knalde neer. Er bleef niets over... Enkele uren na dit tragische ongeval kreeg Louis de San een telefoontje van het ministerie van Defensie, met verzoek of hij met de overblijvende zwever een demonstratie wilde geven. Zonder een ogenblik te aarzelen aanvaardde hij dit voorstel. De dag nadien, op 25 april 1940, stond hij op het vliegveld. Toen hij met de door een Curtiss jachtvliegtuig opgetrokken zwever opsteeg was dit voor een vlucht van meer dan vier uur. Zo werd hij recordman van Azië. Na de aanval op Pearl Harbour slaagde hij erin, onder de bommen uit Hong-Kong te vluchten en om Zuid-Afrika te bereiken. Daar vervoegde hij de RAF en slaagde hij in de proeven van motorpiloot. Luitenant de San ging toen naar Kongo waar hij tot het einde van de vijandelijkheden allerlei opdrachten en verbindingen realiseerde aan boord van Oxford en SV 4 toestellen. Na de oorlog nam hij zijn diplomatieke taken opnieuw op en bekleedde consulaire posten in verschillende landen. Van 1949 tot juni 1951 was hij zaakgelastigde in Bangkok. In 1952 was hij Belgisch ambassadeur in India. In 1958 was Louis de San Belgisch consul-generaal in Damascus, ten tijde van grote politieke spanningen. Hij werd toen op 11 mei aan de Syrisch-Libanese grens gearresteerd met zijn autokoffer vol wapens, munitie en bommen die zouden bestemd zijn voor een terroristische aanslag in Beirut. Hij verklaarde niet te weten wat de inhoud van de koffer was en dat dit materiaal door onbekenden in zijn wagen zou zijn geplaatst. Zijn diplomatieke immuniteit werd niet erkend en hij werd in juli in Beirut door een militair tribunaal ter dood veroordeeld. Zijn advocaten gingen daartegen in beroep, en de straf werd veranderd in 20 jaar gevangenisstraf. In september werd hij ontslagen uit de gevangenis van Beirut, nadat de president van Libanon een amnestiebesluit had ondertekend. Hij sleet zijn oude dag in Syrië en in 1995 overleed hij er op 86-jarige leeftijd.

Suzanne 'Suzy' Lippens (1903 - 1985, 28j. oud in 1931; erfde na de dood van haar vader in 1956 de titel van gravin): zij was nooit lid van een zweefvliegclub, maar verzorgde wel de doop en de inhuldigingsvluchten van eerste zwevers van VOLCEP, CUCVSM en de UULVV. Haar vader was in de periode 1929-1931 minister van Transport. Ze leerde motorvliegen bij Jean Stampe in Antwerpen (1927-1928), en zweefvliegen bij Wolf Hirth en andere bekende piloten op de Rhön (1930). Bezat van 1930 tot 1932 een blauwe Gipsy Moth (De Havilland DH60G Moth, immatriculatie OO-AAA), van 1932 tot 1935 een De Havilland DH80A Puss Moth (OO-AMN), van 1935 tot eind 1937 een De Havilland DH85 Leopard Moth (OO-AVD). Had vanaf 1930 ook een eigen zweefvliegtuig (type "Professor"), een cadeau van haar vader. Met deze zwever brak zij verschillende zweefvliegrecords in Engeland. Ze schreef ook een aantal bemerkenswaardige motorvluchten op haar naam: eerste solo kanaal overtocht door een vrouw; eerste vrouwelijke pilote die het traject Brussel Stockholm vloog. Ze schreef stukjes in de kranten over het vliegen. Zij was vurig ambassadeur van het zweefvliegen, gaf er vele spreekbeurten over (ook in Leuven, in het Hotel Métropole) en was ook mede-organisator van de demonstratievluchten in 1930 op de Kesselberg en in de duinen van Het Zoute. Ze was tevens oprichtster van de zweefvliegschool in Het Zoute, waar in 1930 het eerste zweefvliegkamp van België plaats vond. Enkele maanden voordien, op 18 oktober 1929, was zij aangesteld als ondervoorzitster van de zweefvliegcommissie die toen opgericht werd in de schoot van de Aeroclub van België onder het voorzitterschap van majoor Massaux. In 1931 was zij mede-oprichtster en presidente van de "Section Gantoise de Vol sans Moteur" (SGVSM). Op zondag 22 maart 1931 huldige zij de club in met een glijvlucht van meer dan 50 meter op het Sint-Denijsplein te Gent. Dit was een maand vóór de inhuldigingsvluchten van VOLCEP en CUCVSM in Evere. Vanaf 1936 (op 33-jarige leeftijd) verschoof haar aandacht van vliegen naar het gezinsleven en trad zij op de achtergrond, nadat zij met haar achterneef Léon Lippens huwde. Haar man Léon werd na de oorlog burgemeester van Knokke en lag als ornitholoog en natuurliefhebber aan de basis van het Zwin natuurreservaat. Ze kregen vier kinderen: Mary (1937), in eerste huwelijk met kunstschilder Roger Nellens; Elisabeth (1939), getrouwd met Ferdinand Fürst von Bismarck-Schönhausen; Leopold (1941-2021), burgemeester van Knokke-Heist; Maurice (1943), voormalige voorzitter van de Fortis-groep. Haar logboek vermelde reeds voor WO II meer dan 400 uren op zweef- en motorvliegtuigen. Zij heeft zich in België na de oorlog onbaatzuchtig voor sociale belangen ingezet. Vele decoraties werden haar toegekend. Als succesrijke zweefvliegster, met wereldrecord als pionier zweefvliegen, heeft men haar ten onrechte min of meer vergeten, wat zeker met haar bescheidenheid te maken heeft. In 1980 ontving zij het ereteken "compagnon d'honneur" van de Fédération Aéronautique Internationale, in aanwezigheid van minister Herman De Croo.

Vervolg: Dijlezwaluw (jaren '40)

Research: Hartmut Koelman. Bronvermelding volgt later.